Endoscopische resectie

Bij een endoscopische resectie wordt een stukje van de wand van de slokdarm, de maag of de twaalfvingerige darm via de endoscoop verwijderd. Hierbij worden alleen de meest oppervlakkige wandlagen verwijderd. Endoscopisch wil zeggen: gebruik maken van de endoscoop. Resectie betekent verwijderen.

Bij wie wordt endoscopische resectie toegepast?

Endoscopische resectie wordt gedaan bij patiënten met dysplasie of een vroege vorm van kanker in de slokdarm of de maag. Afwijkingen die zich beperken tot de bovenste slijmvlieslaag (ook wel mucosa genoemd) van de wand van de slokdarm of maag kunnen goed behandeld worden met endoscopische resectie.
In het verleden werden mensen met vroege vormen van dysplasie of kanker behandeld door middel van een operatie, waarbij de slokdarm of de maag (grotendeels) werden verwijderd. Deze operaties kunnen echter complicaties geven, zeker bij patiënten met hart- of longaandoeningen en oudere patiënten. Bovendien heeft een dergelijk grote ingreep invloed op het dagelijks leven van de patiënt. Endoscopische resectie is een minder ingrijpende behandeling maar is alleen geschikt voor de mensen waarbij de afwijking zich tot de bovenste laag van de wand beperkt. Voor afwijkingen die dieper groeien is een endoscopische resectie meestal geen goede behandeling en in deze gevallen is een operatieve ingreep of chemo-radiotherapie een betere keuze.


De behandeling (Wat gebeurt er?)

Endoscopische resectie is een verzamelnaam van verschillende technieken waarmee de oppervlakkige laag van de wand van de slokdarm of maag kan worden verwijderd. We bespreken hieronder de meest gebruikte technieken voor endoscopische resectie.

Bij de eerste techniek is er een kapje op het uiteinde van de endoscoop bevestigd. Om het kapje zitten elastiekjes gespannen. De afwijking wordt in het kapje gezogen en vervolgens wordt er een elastiekje omheen geschoten. Daarna wordt er een lus gelegd om het ontstane bolletje en door de lus wordt stroom geleid, waardoor het bolletje wordt afgesneden van de onderlaag. Met deze techniek worden er kleinere stukjes weefsel weggehaald dan met de eerste techniek en er hoeft geen vocht onder de afwijking worden gespoten (figuur 1).

Figuur 1. Endoscopische resectie met de ligatie-techniek.

Bij de tweede techniek wordt er ook vocht onder de afwijking gespoten (endoscopische submucosale dissectie, ESD). Vervolgens wordt de afwijking met een elektrisch mesje van de bodem afgesneden. Deze ingreep is technisch moeilijker en heeft een langere tijdsduur dan bovenstaande behandelingen, maar het voordeel is dat met deze techniek grotere afwijkingen in één stuk kunnen worden verwijderd.

Welke techniek er wordt gebruikt, hangt af van de grootte van de afwijking, maar ook hoe de afwijking eruit ziet. Met de verschillende technieken kunnen ook meerdere stukjes weefsel aansluitend aan elkaar worden weggehaald. Soms worden de verschillende technieken gecombineerd. Alle stukjes weefsel worden aan het eind van de behandeling uit de slokdarm gehaald, om vervolgens onderzocht te kunnen worden door de patholoog.


Welke complicaties kunnen er optreden bij endoscopische resectie?

Bij de endoscopische resectie ontstaat een wond en kunnen de volgende complicaties optreden:

•    Bloeding: Tijdens de behandeling kan een bloedvaatje worden geraakt. Hierdoor kan een bloeding ontstaan (dit gebeurt ongeveer bij 1 op de 10 behandelingen). Als dit gebeurt, wordt er direct gehandeld, waardoor het bloedverlies over het algemeen beperkt blijft. Een bloeding kan ook enige tijd na de behandeling ontstaan. Daarom moet u na de behandeling minimaal 2 tot 3 uur in het ziekenhuis blijven. Wanneer er in die periode een bloeding optreedt wordt direct ingegrepen middels een scopie. In zeldzame gevallen treedt de bloeding pas later op. Dit wordt dan meestal opgemerkt door het opbraken van bloed en/of het hebben van zwarte, teerachtige ontlasting. In het laatste geval wordt patiënten geadviseerd contact op te nemen met het ziekenhuis.

•    Perforatie: Een complicatie die zeer incidenteel (één op de honderd gevallen) voorkomt, is een perforatie. Dit betekent dat er een gaatje in de wand van de slokdarm of de maag is ontstaan. Als dit gebeurt, wordt u opgenomen in het ziekenhuis. In het meest ongunstige geval volgt er dan een operatieve ingreep, maar de meeste gevallen kunnen zonder een operatie worden opgelost.

•    Stenose of vernauwing: Een vernauwing kan ontstaan als er meerdere stukjes weefsel worden weggehaald in de slokdarm. Deze complicatie komt niet voor bij endoscopische resecties van de maag of de twaalfvingerige darm. De slokdarm kunt u zien als een dunne pijp. Als de wond die door de endoscopische resectie is ontstaan gaat genezen, ontstaat er littekenweefsel. Dit littekenweefsel is wat stugger dan normaal slokdarmweefsel, waardoor de slokdarm wat nauwer en minder flexibel kan worden. Hierdoor kan soms het eten minder goed de slokdarm passeren. Het niet goed passeren van eten langs de slokdarm, begint meestal pas ongeveer twee tot drie weken na de behandeling, dan is slokdarm al grotendeels genezen en ontstaat het littekenweefsel. Een stenose wordt vaak opgemerkt als eten niet goed de slokdarm wil passeren. In dat geval is het nodig de slokdarm wat op te rekken tijdens een endoscopie.

Klik hier om de patiënteninformatie folder over endoscopische resectie van het AMC te downloaden.